Wurst, Duitse worst, de nationale trots

24 01 2008

Elke regio zweert bij z’n eigen worst.

Al sinds de middeleeuwen zijn de Göttinger en de Regensburger worst een bekende naam. De Thüringse roodworst (bloedworst) is evenals de met marjolein gekruide gegrilde braadworst uniek. Voor de bewoners van Kassel gaat er niets boven de leverworst, voor de Zwaben is een met tijm, kruidnagel en nootmuskaat gekruide zwarte worst het ultieme genot.

De Neurenbergers ruziën met de Regensburgers over het privilege van de eerste vingerdikke braadworsten. Maar één ding is zeker: in Berlijn werd de curryworst uitgevonden – in fijne plakjes gesneden, met ketchup gegarneerd en met kerrie bestrooid.

Een Hessische ‘Presskopf’ (preskop) kan elke vergelijking met een Beierse ‘Presssack’ (preskop) doorstaan, om het even of hij nu zwart is of wit. En een luchtgedroogde Westfaalse metworst zal evenmin terugdeinzen voor een met varkensvlees toebereide ‘Bauernseufzer’ (boerenzucht) uit Franken.

Een Korn (graanjenever) tussendoor moet kunnen. Vooral bij de ‘bruine (!) boerenkool’ met Pinkel, de goed gekruide gortworst met spek uit Neder-Saksen.

Een bockbiertje drink je bij de wereldberoemde Berlijnse Bockwurst (gekookte worst).

Bij ham drink je (de naam zegt het al) Schinkenhäger. In Westfalen is hij een absolute must. Deze topjenever is ook lekker bij specialiteiten als zwartgerookte ham uit het Zwarte Woud of Ammerländer ham, gerijpt boven spaanders van beuken- en essenhout.